De structuur en de hoofdthema’s van de Koran

Herhalingen, letterlijke duplicaties en tautologieën, met alleen in de vorm van woorden, doch ook van zinsgedeelten en zinnen. Eén van de meest frequente versopeningen is “dhikr”: “Gedenk het volk van…”, “Herinner je…” of “Denk aan…”. Deze herhalingen zijn echter niet monotoon, ze leiden vanuit andere, nieuwe details tot dezelfde duidelijk conclusies. Dat geldt bijvoorbeeld voor de talrijke verhalen, van Ibrāhīm, van Maryam, en van Mūsā.

Een voorbeeld. Nadat in diverse verzen mensen worden opgeroepen uit liefdadigheid bij te dragen aan de noden van de behoeftigen, voordat de dag (de Dag!) komt waarop er geen handel en geen hulp van vrienden of bemiddelaars meer mogelijk is, verschuift de thematiek plotseling naar het belangrijkste vers van de Koran, het Troonvers (al-Baqara, 2: 255), waarin de verheerlijking van Allah centraal staat, verwijzend naar een tijd waarin niemand nog voor iemand kan bemiddelen.

Constante verschuivingen en overgangen van beschrijvingen van het banale, alledaagse, van ogenschijnlijk nietige voorvallen van metgezellen en (on)gelovigen, van lichte twijfels aan de ene kant naar verheven perspectieven, verstrekkende consequenties van diezelfde voorvallen en naar beschermend ingrijpen van Allah aan de andere kant. De grote Duitse dichter en denker Johann Wolfgang von Goethe bekende in de 18e eeuw door de stijl van de Koran én meerdere malen te worden afgestoten en toch opnieuw  onweerstaanbaar aangetrokken te worden.

De lezer of recitator van de Koran wordt met behulp van een aantal stilistische en syntactische, grammaticale middelen en patronen op een subtiele, intensieve wijze bij de tekst betrokken en betrokken gehouden.

Stilistische kenmerken van de Koran

In talrijke soera’s wordt het beeld geschetst van een Profeet die door twijfels en onzekerheden wordt overmand en soms de wanhoop nabij is, wiens oprechtheid en wiens leiderschap telkenmale worden uitgedaagd, en die desondanks vastberaden en standvastig blijft en blijft vertrouwen op en blijft luisteren naar het Woord van Allah, naast, voor en binnen zijn ‘ummah’, zijn gemeenschap van gelovigen.
Overbodig bijna te vermelden dat ten gevolge van deze inhoudelijke, semantische concepties de leesbaarheid en de uitstraling van de Koran zeer groot worden: dynamisch, temporijk, gevarieerd, onvoorspelbaar, meeslepend: de levende Koran.

Een laatste opvallend inhoudelijk aspect is dat van de veranderende positie van de profeet Mohammed, parallel lopend met de positie van de Islam zelf: de enorme transformatie van de Boodschapper van een eenvoudige waarschuwer met enkele tientallen metgezellen en volgelingen (610-613) naar een bespotte, belaagde en niettemin volhardende verkondiger van de Islam met een serieus aantal volgelingen in een steeds vijandiger omgeving (614-622), via een ternauwernood ontsnappende, vluchtende geestelijk leider naar een verheven, invloedrijke sociaal-maatschappelijk machthebber (622-628) en uiteindelijk naar een oppermachtige en als mens nog steeds ingetogen wettenmaker van een wereldrijk (628-632), die het volledige spectrum van de profetische ervaring meemaakt en waarmaakt.

Ten gevolge daarvan bestaan grote delen van de Koran uit woordenwisselingen, meningsverschillen op basis van argumenten en tegenargumenten, over twijfels aan het universum van de mens en zijn positie daarin, over de lotsbepaaldheid van de geschiedenis, over de Wederopstanding en het leven na de dood, over afkomst en bestemming van de mens, over tijdelijke en eeuwigdurende welstand en rijkdom, over waarheden, twijfels en vooral bespottende houdingen ten aanzien van de boodschapper Mohammed. Het dominante, overheersende beeld dat voor het verkrijgen van geloof wordt opgeroepen is zodoende polemisch: het vergt een proces van groei, van balanceren tussen twijfel en overtuiging, van toenemende zekerheid, van nadenken, overpeinzen en bespiegelen. De mensen in de Koran zijn haastig van aard, snel oordelend, geneigd tot scherpe discussies en gehecht aan hun meningen en hun religieuze overtuigingen.

Inhoudelijk nodigt de Koran constant en continu uit tot waarnemen, kijken, gedenken en nadenken, het gebruik van het verstand, tot vergelijken en het zich de lessen uit historische gebeurtenissen ter harte te nemen: de Koran is het enige heilige Geschrift waarin dat geschiedt. Hoogst ongebruikelijk is eveneens dat de Koran zeer veel ruimte verleent aan diegenen die tegenstanders zijn van de profeet Mohammed, niet alleen aan ongelovigen en polytheïsten, afgodenaanbidders, en vooral ook aan hypocrieten (munāfiqūn) die geraffineerd met dubbele tong spreken, en aan de verleidelijke influisteringen van de jinn’s, de onzichtbare wezens, van de satan en zijn volgelingen.

verhalen, narratieve beschrijvingen, in de eeuwigdurende tegenwoordige tijd, meta-historische verhalen als queesten, zoektochten en gevaarlijke reizen van de menselijke geest naar zuiver geloof en rechtvaardigheid.

parabelen, gelijkenissen,

smeekbeden van de mens, preken voor de mens,

slechte berichten, slecht nieuws, waarschuwingen en vermaningen aan de mens, dreigend onheil, angst en vrees teweegbrengende, waaronder plastische beschrijvingen van de Hel, Jahannam,

goede berichten, goed nieuws, verheugende tijdingen, waaronder zeer plastische beschrijvingen van de Tuin, de Hemel, Jannah,

verordeningen en verboden van de Profeet,

bevelen en geboden van de Profeet, invitaties tot nadenken,

De diverse niveaus van waaruit de Koran zich tot de lezer richt vinden hun oorsprong in een zegswijze van de Profeet: “De Koran is geopenbaard in zeven aḥruf”. Eén van de vele interpretaties van ‘aḥruf’ is, dat het begrip hier verwijst naar de zeven steeds wisselende registers, de zeven inhoudelijke begripslagen welke door exegeten gewoonlijk als volgt worden aangeduid:

Een zeer ruime benaderingswijze, op basis van de ontstaansgeschiedenis van de 114 soera’s, zou kunnen inhouden dat, indien een lezer de Koran in chronologische volgorde wenst te lezen, hij aan het einde van de Koran kan beginnen en dan ‘terug’ kan lezen naar het begin. Immers de laatste, poëtisch-korte soera’s zijn afkomstig uit de vroeg-Mekkaanse periode, de eerste prozaïsch-lange, regelgevende soera’s uit de Medinensische periode. Wellicht voorziet deze wijze van lezen (of aanhoren) in een meer directe toegang tot de vele stemmen, de vele registers waarmee en van waaruit de Koran zich richt tot zijn lezers en zijn luisteraars.

De openbaring van de Koran aan de profeet Mohammed kwam geleidelijk tot stand, over een periode van 23 jaren (610-632), vers na vers, vaak in gedeeltes van 6 verzen, zowel in Mekka (86 soera’s, de eerste dertien jaren, 610-622) als in Medina (28 soera’s, de laatste tien jaren , 622-632). Echter, de samenstellers van de codex van ʿUthmān hebben de openbaringen niet chronologisch geordend en uitgegeven, en ook niet thematisch gerangschikt of enigszins geordend, doch een positie in een rangschikking verleend op basis van de lengte van de 114 hoofdstukken welke de Koran telt, te beginnen na de openingssoera al-Fātiḥa, met de grootste soera, al-Baqara, het Rund. Eén en dezelfde thematiek kan derhalve in verschillende soera’s worden aangekaart en worden besproken. Herhaling van (hoogte-)punten en thema’s verhoogt niet alleen de intensiteit van het beschrevene, doch er is bovendien veelal op subtiele wijze sprake van een schijnbare herhaling: het verhaal van Mūsā en de farao bijvoorbeeld wordt in vele soera’s aangehaald, doch altijd vanuit een ander perspectief, met nieuwe, scherpe details, of juist vluchtig, met een degelijke of een terloops vermelde boodschap.
Daaraan kan nog een tweede complexe omstandigheid worden toegevoegd: gedeeltes van dezelfde soera’s (tenminste zestig!) zijn zowel in Mekka als in Medina geopenbaard, zodat in dubbel opzicht een vermenging heeft plaatsgevonden. Meestal wordt de herkomst van de verzen aan het begin van iedere soera aangegeven, en worden eveneens twijfelgevallen vermeld.
Niettemin vormt iedere soera, op instignatie van de profeet Mohammed, een wonderlijk, wonderbaarlijk geheel, een reciteerbare, spiritueel gesloten eenheid.

Naast de overtuigingskracht van de Islam zelf en de historisch-realistische, voor honderdduizenden wereldbewoners waarneembare ontwikkeling van de verkondiging, de verspreiding van de Islam, willen we vooral de prozaïsch-poëtische kracht van de inhoud van de Koran benadrukken.

Hoe is het mogelijk dat de inhoud en de overtuigingskracht van één boek zo’n overweldigende spirituele (en artistieke) indruk maken, dat vanaf de achtste tot en met de veertiende eeuw, zeven eeuwen lang, zeer zeker mede daardoor sprake is geweest van een islamitische hoogconjunctuur in een gebied dat zich heeft uitgestrekt van Bagdad tot Sicilië en tot Andalusië in Zuid-Spanje, en van Somalië en Egypte tot Turkmenistan en India?

Koranexegeten, tafsīrgeleerden, dat wil zeggen wetenschappers die zich de afgelopen veertien eeuwen met bestudering, onderzoek, commentaar, uitleg en betekenisvariaties in de Koran hebben beziggehouden, zien zich in eerste instantie geconfronteerd met de volgende vraag:

Semantische, inhoudelijke kenmerken van de Koran

“Hoe kunnen jullie je dan afwenden?”
“Hoe kunnen jullie je dit dan niet ter harte nemen?”

Vanuit deze genoemde concepten ten aanzien van natuur, taal en traditie wordt dan aannemelijk en verklaarbaar dat ongelovigen en afgodenaanbidders als onwetenden, als nalatigen, als niet-begrijpenden worden beschouwd in de Koranverzen, als verblind, verdoofd, zich niet bewust van de historische ontwikkelingen en van het belang en de reikwijdte van de openbaringen van de profeet Mohammed:

Daaraan kan worden toegevoegd de veranderde opvatting ten aanzien van het belang en de betekenis van de natuur en de natuurverschijnselen: zij worden tekenen, signalen, symbolen van de Schepper, van Allah. De tekenen van de natuur dienen in hun hoedanigheden van oorzaak en gevolg en in hun afhankelijkheid van de wil van Allah door de mens, tijdens zijn tijdelijk verblijf op deze wereld, te worden bestudeerd, wetenschappelijk te worden benaderd en begrepen, met historische natuurgebeurtenissen als uitgangspunt.

De woorden blijven nagenoeg hetzelfde, doch zij verwerven zich een hoger niveau, verkrijgen een nieuwe conceptuele betekenis vanuit het onderbewuste, vanuit hun wortels, de geladenheid van hun ontstaan, en zij maken een proces door dat leidt tot een sleutelpositie binnen de taalkundige en religieuze taalkracht van de Koran.

De betekenis van het woord ‘muttaqi’ in de Jāhiliyya periode, een persoon die vocht en streed om zichzelf voor gevaar te behoeden, verschoof naar die van het begrip ‘muttaqi’: een persoon die zichzelf behoedt voor het kwade en het rechte pad volgt, Allah vreest en Zijn bevelen trouw blijft. De betekenis van het woord ‘ṣabr’, in de zin van steeds een gewenst voorwerp, een doel te bereiken (het gewicht om een boot in balans te houden werd “al-saburat” genoemd, evenals de regelmaat van de treugkeer van geiten en kamelen in de avond) verschuift in de Koran naar standvastigheid, vastberadenheid, geduld, lijdzaamheid, naar het concept dat Allah met degenen is die geduldig en volhardend zijn. De betekenis van ‘al-ṣala’ in de Jahiliyya-periode, het midden van de rug, de achterkant, verschuift naar ‘ṣalāt’ in de Koran, naar toewijding en aanhankelijkheid ten aanzien van Allah en zijn bevelen, naar iemand die als een dienstbare gelovige zijn plichten en verplichtingen vervult.

Enkele illustraties. Hoewel de Arabieren in de zevende eeuw over het woord qaṣīda voor hoofdstuk beschikten, en over het woord bayt voor vers, bracht de Koran een eigen terminologie tot stand. Zo gebruikt de Koran voor het aangeven van een hoofdstuk het woord soera –dat letterlijk een rij, een afschermende omheining of een stap voorwaarts betekent- ; voor het aangeven van een vers het woord āya –dat letterlijk teken, bewijs of wonder betekent.

Een ander interessant facet van het taalgebruik van de Koran is de manier waarop dit taalgebruik bestaande Arabische woorden en verbale literaire expressies heeft geherinterperteerd, dan wel daaraan nieuwe betekenissen heeft toegevoegd of overgedragen, of deze geheel heeft getransformeerd.

De Koran is het woord van Allah: noch literatuur in de gebruikelijke zin van het woord, noch “berijmd proza”, noch beschouwend-vermanend essayistisch. Niettemin is het taalgebruik van de Koran voor ons, 21ste eeuwse lezers en toehoorders, direct toegankelijk omdat het direct afkomstig is uit de klassieke Arabische taal en verwijst naar de wetten van de esthetica en van de grammatica van die taal. De grote leesbaarheid is mede aan deze wetten te danken. Niet genoeg kan (nogmaals) worden benadrukt dat het hedendaagse Arabische taalgebruik niet of nauwelijks afwijkt van de vocabulaire van de Koran.

In het pre-islamitische Arabië was poëzie de enige hoog ontwikkelde verbale kunstvorm – de beschaving was een lyrische, een taalkundige. In deze periode, het Jāhiliyya-tijdperk genaamd, was een opmerkelijk rijke poëtische traditie ontstaan, die zich niet zozeer bezighield met abstracties en verheven gedachtespinsels als wel op directe wijze met liefdesliederen, kamelen, paarden, oorlogen, jacht, met het ruige landschap van bergen en woestijnen en vooral met de krijgshaftige moed en dapperheid van stamleden, krijgers. In dit licht gezien is het niet meer dan natuurlijk, en in het geheel niet beledigend, dat de Mekkanen dachten dat de profeet Mohammed van origine een dichter was (zie al-Ṭūr, 52: 30 en al-Ḥāqqa, 69: 41): hun erkenning en hun onderkenning van de lyrische kwaliteiten van de Koran was juist.

Bovendien zag de profeet Mohammed zich ten tijde van de openbaring van de vroegste soera’s in Mekka verbaal, uitsluitend verbaal gesteld tegenover een verenigd front van heidenen en polytheïsten, dat zowel het monotheïsme als het opgeven van hun religieuze tradities verafschuwden. De vroegste soera’s waren mede daarom korte, beeldrijke weergaves met een krachtige versmaat en een krachtig ritme en een dramatische inhoud. De spanningsboog tot zijn publiek was voor de Profeet kort, strak, beperkt: indien een passage de toehoorders te specialistisch, te weinig vertrouwd in de oren klonk, ‘stopten deze hun vingers in hun oren en wendden zich af’, zoals in de Korantekst zelf enkele malen wordt beschreven. Een decennium later was deze situatie totaal veranderd!

De Arabische tekst van de Koran onderscheidt zich door een veelvoud aan hoogstaande taalkundige bewoordingen: welsprekendheid en welbespraaktheid in de woordkeuze; metaforen, vergelijkingen, gelijkenissen en parabelen in de beeldkeuze; suggestieve weglatingen (ellipsen), klanknabootsingen (onomatopeeën) en allerlei vormen van assonantie, alliteratie, eindrijm, binnenrijm en dubbelrijm in de klankkeuze. Dit maakt iedere vertaling tot niet meer dan een bescheiden benadering, een aanmatigende afspiegeling van de schoonheid en de kracht van de originele tekstinhoud.

Het Taalgebruik van de Koran

Het hoofdthema van de Koran is uiteraard een zuiver geloof in het monotheïsme, het geloof in één God, Die geen deelgenoten of gelijkwaardigen heeft (al-tawhīd), niet in materie is uit te beelden en niet is voor te stellen.

Terecht is gezegd dat de eerste soera van de Koran, al-Fātiha, de samenvatting en de essentie is van het gehele Boek. Deze soera bevat de volgende zeven onderwerpen: hymnen, smeekbedes, wetten, aankondigingen, waarschuwingen, gelijkenissen en verhalen. Deze soera vertegenwoordigt in hoofdlijnen alle onderwerpen die in de Koran voorkomen.

De Koran presenteert zich als een gids, een leidraad, een richtlijn zowel voor moslims als voor de gehele mensheid, in alle tijden en op alle plaatsen, op elk gebied van het materiële, individuele en maatschappelijke leven. De eerste soera, al-Fātiḥa, is in dit opzicht te beschouwen als een introductie tot de gehele Koran, een samenvatting die de essentie van het gehele Boek in hoofdlijnen aangeeft.

De Koran geeft met nadruk, herhaaldelijk, de lezer de volgende boodschap: denk na, denk diep na, met ernst en aandacht, gebruik je verstand en je logica, onderzoek! Deze adviezen gelden ook voor kwesties die het bereik van de zintuigen overstijgen en die hij niet met zijn verstand kan bevatten, zoals het bestaan van Allah, en voor geloofsartikelen zoals het Hiernamaals en de Wederopstanding na de dood.

De verzen binnen de soera’s en de soera’s onderling zijn volgens daaraan aanwijzingen van de Profeet gerangschikt. De namen van de soera’s maken geen deel uit van de tekst van de Koran. Het staat vast dat de namen van sommige soera’s door de Profeet zijn gegeven, het is mogelijk dat de namen van de overige soera’s door de metgezellen zijn gegeven.

Enkele verzen bestaan uit één enkel woord, soms zelfs uit twee of meerdere losse letters (zoals 20: 1; 36: 1; 40: 1). Normaliter eindigt een vers in het Arabisch met een rijmwoord. Gemeten vanuit het aantal verzen bevindt het midden van de Korantekst zich in de zevenentwintigste soera, gemeten naar het aantal woorden in de achttiende soera.

Soera’s en verzen zijn van uiteenlopende lengtes; de kortste soera’s, al-ʿAṣr, al-Kawthar, en al-Naṣr, tellen slechts drie korte verzen, met een totale lengte van één of twee regels; de langste soera, al-Baqara, telt 286 verzen en bestrijkt zeven procent van de Koran.

De Koran is onderverdeeld in 114 hoofdstukken, genaamd soera’s, die samen 6236 verzen of āya’s (verzen) bevatten. De gehele tekst, die ruim 77.000 woorden telt, is op evenwichtige wijze verdeeld in dertig delen (ajzāʾ, mv. van juzʾ) en zestig secties (aḥzāb, mv. van ḥizb), mede om het reciteren van de Koran in gelijke hoeveelheden tekst mogelijk te maken, bijvoorbeeld tijdens de gezamenlijke tarāwīḥ-gebeden gedurende de vastenmaand Ramadan.

De opvattingen over de frequentie van het gebruik van synoniemen zijn al veertien eeuwen aan discussies onderhevig. De meeste wetenschappers neigen naar de optie dat op het eerste gezicht uitwisselbare woorden en begrippen bij nader inzien en nadere overdenking een inhoudelijke onafhankelijkheid en een eigen actie-radius lijken te bezitten. Het zou dan te naïef zijn om te veronderstellen dat een woord of een begrip in de Koran vervangen en/of verklaard zou kunnen worden door een ander woord of begrip.

Het veelvuldig gebruik van retorische vragen, en de herhaling van die vragen, met als onbetwistbaar hoogtepunt soera 55, al-Rahmān, waarvan het refrein 31 maal wordt herhaald: “Welke van de gunsten van jullie Heer loochenen jullie dan?”

Het gebruik van ellips, weglating is zeer opvallend, hoewel deze stijlfiguur in de Jāhilliya-periode reeds sterk aanwezig was; in deze vertaalversie is deze weglating gedeeltelijk opgevangen door ontbrekende zinsgedeelten tussen haakjes te vermelden, ten behoeve van de leesbaarheid (zie al-Zumar, 39: 24 retorische vraag en ellips).

Misschien wel het meest merkwaardig is het veelvuldig ontbreken van bijvoeglijke naamwoorden of, indien men wil, het gebruik van weinig adjectieven. Veel nadruk ligt daardoor op werkwoorden, op handeling dus, op bijwoorden, en uiteraard op de zelfstandige naamwoorden zelf.

Een ander stilistisch kenmerk van de Koran is de antithese, de tegenstelling, het contrast: tussen gelovigen en ongelovigen, maar ook tussen onthullen en verhullen, tussen heilig en schijnheilig, veelal in parallelle zinsconstructies met subtiele verschillen.
Vergelijk: “De waarheid komt van jullie Heer. Laat diegene geloven die dat wil en laat diegene ontkennen die dat wil…” (al-Kahf, 18: 29)

Een uitermate effectief stilistisch kenmerk is dat Allah Zich direct tot de Profeet richt en ook direct tot de mensen, daarbij gebruikmakend van de “Wij-vorm”. Op deze wijze worden de lezer en de luisteraar de tekst binnengesleurd: vragend, onderzoekend, gidsend, leidend, begeleidend, bestraffend, vermanend.

Het gebruik van de dialoogvorm maakt de Koran dynamisch, snel, gemakkelijk leesbaar. Dialogen wisselen elkaar in hoog tempo af: tussen Allah en Zijn profeten, tussen profeten en hun gehoor, tussen opposanten in verhitte discussies, tussen de koningin van Saba en haar notabelen, zelfs tussen Sulaymān en de hop (al-Naml, 19: 44).

10. Het gebruik van grammaticale overgangen binnen één zin, abrupte veranderingen van onderwerp: van het ene naar het andere persoonlijk voornaamwoord (hij ->jij, hij -> ik, Ik -> jij, maar nooit andersom in dit laatste geval!), van enkelvoud naar meervoud en andersom, van de ene aangesprokene naar de andere.
“Zien jullie dan niet dat Allah water vanuit de hemelen zendt, waarmee Wij vruchten voortbrengen…” (al-Fātir, 35: 27)

11. Het gebruik van de directe rede; honderden malen wordt de Profeet geopenbaard: “Zeg…”; dit gebod is in de eerste plaats gericht tot de Profeet, de boodschapper Mohammed, niet direct tot de mens, de persoon Mohammed, ter benadrukking van zijn status.

12. In de Arabische taal bestaat de mogelijkheid om toekomstige gebeurtenissen in de verleden tijd of in de tegenwoordige tijd uit te drukken, indien hun plaatsvinden zeker is. In de Koran wordt veelvuldig de eeuwige tegenwoordige tijd gebruikt, tengevolge waarvan gebeurtenissen naar het heden toe worden gehaald en realistischer worden: het Hiernamaals, het vlammende Vuur, de Tuin – zie ook taalgebruik. Toegevoegd aan het constant en continu verschuiven van perspectief maakt dit de Koran zeer direct en zeer gevarieerd.

13. De ambiguïteit van vele zinnen en woorden: deze zijn voor meerdere vormen van uitleg vatbaar, ze kunnen binnen de context naar diverse andere tekstgedeelten verwijzen. Alleen al deze constatering, dit gegeven maakt iedere vertaling tot een versie, een bescheiden poging om zo dicht mogelijk bij de originele geopenbaarde tekst te geraken. “Dageraad” kan “avondschemer” betekenen, en andersom!

14. Alliteratie en assonantie – de eerste openbaring kan reeds als fonetisch intrigerend gelden; omdat daarin woorden worden gekoppeld als “ʿalaq” – “khalaq”, “iqra’” – “akrām” , “ʿalam” – “yalam” (al-Alaq, 96: 1-5).

15. Prolepsis: het vooropplaatsen van belangrijke woorden, of een emotionele lading. Veel verzen beginnen met “Zeker” , “Inderdaad” of met het Arabische woord “wa”, dat “en” of “maar” betekent en een verbindende functie heeft. Tientallen verzen beginnen met “Wa lākin…”: “Echter…”.

16. De Koran is zelf-verklarend, zijn eigen beste commentator. De uitleg van een vers is mede te vinden in andere soera’s of andere verzen. In dit opzicht is het tijdens de bestudering van de Koran het beste om ook naar andere verzen te kijken en deze met het gelezen vers te vergelijken.

17. Tenslotte, de Koran noemt geen namen van individuen, uitgezonderd profeten en engelen; dominant is de techniek van generalisatie, veralgemenisering: degene die, wie dan ook. De naam van de profeet Mohammed wordt in de gehele Koran niet meer dan vier keer vermeld.

Recitatie van de Koran

De Koran vormt de sleuteltekst, de toegangspoort tot een dominante religieuze beschaving en tot een belangrijke wereldtaal. Voor zowel de islamitische beschaving als voor de Arabische taal bezitten de woorden van de Koran een oordeel, een perspectief en een gezaghebbend niveau dat weinig historische teksten is gegund. De Arabische taal is de enige taal in de wereld die in de laatste veertien eeuwen niet of nauwelijks is veranderd, tengevolge van de verering van en het respect voor de buitengewone welbespraaktheid en de buitengewone wijsheid van de Koran, gevrijwaard van alle vormen van vergissingen en onjuistheden. De op zich eenvoudige vocabulaire van de Koran is de omgangstaal in de Arabische wereld. De Koran is het Boek van Allah en bezit dientengevolge de status van onschendbaar, en onaanraakbaar, behalve indien de lezer in een staat van rituele reinheid, van spirituele zuiverheid verkeert.

Islamitische moskeeën, kunstvormen en kalligrafische expressies van artisticiteit vinden hun oorsprong in de beeldrijke uitstraling van de Koran; het reciteren van de tekst, zowel gedeeltelijk als in haar geheel, is op zich een verheven kunstvorm.

Wanneer de Koran wordt gereciteerd vloeien de woorden met een harmonieusheid, welke kan leiden tot een sterke mate van beroering en ontroering bij degene die reciteert en bij degene die luistert. In het jaar 610 begon de openbaring van de Koran met het goddelijk bevel: “Iqra!”, dat zowel “lees”, als “reciteer”, alsmede “herhaal” betekent en nog steeds is de Koran volgens velen minder een boek om in alle rust en stilte te worden gelezen dan een tekst die dient te worden voorgedragen: vooral in die voordracht onthult de tekst haar schoonheid. Islamitische kinderen leren gedeeltes van de Koran uit hun hoofd gedurende hun schooljaren: deze traditie begon gedurende het leven van de profeet Mohammed en is nog springlevend tot op de dag van vandaag. De eerste soera van de Koran, al-Fātiḥa, die een essentieel onderdeel van rituele gebeden vormt, wordt geleerd en gereciteerd door alle moslims in alle delen van de wereld en vele andere verzen en zinsneden in de Arabische taal, afkomstig uit de Koran, vormen een direct onderdeel van het dagelijks spraakgebruik van moslims.